Verhalen over heimwee en reislust
Voor een boek gewijd aan de allerveiligste, vertrouwdste plek op aarde bevat Thuis verbazend weinig gelukkige verhalen. Op dat van Karin Anema na misschien, een Nederlandse schrijfster met een voorliefde voor lange zwerftochten door de hoogvlakten van Mexico en Spanje. Maar ook zij moet vaststellen dat de plekken waar ze zich leert thuis te voelen, ver van huis, geleidelijk plaatsmaken voor de moderne rusteloosheid van steden.
ex Ponto Magazine nr.7
Voor de andere schrijvers in het boek is thuis een herinnering, onachterhaalbaar ver weg, veranderd of verwoest. Geen wonder, misschien, omdat ze bijna allemaal gevlucht zijn. Zelfs als ze inmiddels weer terug kunnen of zouden kunnen, is het alsof het thuis van vroeger door de tragedie van het vertrek onherstelbaar is beschadigd, beladen met een verdriet dat hun plaats heeft ingenomen.
Ontworteling Een van de mooiste zinnen die ik ken is van de Oostenrijkse schrijver Robert Musil: ‘Heimwee, maar zonder vaderland, dat maakt alles mogelijk.’ Voor een wereldburger die de ontworteling als levenshouding heeft gekozen balt die zin de combinatie van melancholie en mogelijkheidszin samen waar een schrijverschap levenslang op kan varen. Maar de vluchtschrijvers in dit boek hebben de ontworteling niet gekozen. Hij is ze opgedrongen. Het jongetje in ‘De vlieger’ van Lena Sangin koestert de herinnering aan de veranda van zijn geboortehuis in Nagorno Karabach maar weet niet of die er nog staat. Antonije Zalica kan weer terug naar Sarajevo, maar zal net als zijn hoofdpersoon Grigorije verdwalen tussen de mistflarden van pijn en gemis die onverhoeds zijn bewustzijn komen binnenwaaien. Hem rest niet anders dan pijnlijk minutieus een nieuwe, bijna onwerkelijke vrijheid te beschrijven ‘die hem, net als honderden andere, veel kleinere dingen, als in bruikleen was afgestaan.’ In veel van deze verhalen lopen twee werelden, de oude en de nieuwe, voortdurend en onvoorspelbaar in elkaar over. Vaak geeft dat het proza iets droomachtigs, zoals bij Nasser Fakhteh, die na een licht hallucinerende vertelling over een klein meisje, haar verdwenen oom en een zwarte kraai achterblijft in een Nederlandse huiskamer die verdacht veel weg heeft van een Iraanse nachtmerrie. Soms wordt het verhaal gepantserd in de lichte ironie die de totale ontregeling op afstand moet houden, zoals bij de Egyptische meesterverteller Raouf Mouss’ad of bij Sharog Heshmat Manesh in zijn beschrijving van de begrafenis van Hashemi. Op het moment dat iemand sterft zijn er normaal gesproken uitvaartrituelen waar de overlevenden zich aan kunnen vasthouden. Maar hoe begraaf je een oude Iraniër in Amsterdam-West? Hoe vertaal je de codes en gewoontes waaruit, meer nog dan uit muren en dakbalken, je thuis was opgetrokken naar een stad waar ze, zelfs als iemand ze zich nog herinnert, nooit meer de structurerende werking zullen hebben die ze ooit hadden?
Zich een thuis schrijven Dit schrijven in twee werkelijkheden en het benaderen van de ontregeling tot net voor het punt waar die onbeschrijflijk wordt vergt het uiterste van deze auteurs. Die spanning geeft aan de bundel een fascinerende, soms bijna ondraaglijke urgentie. Deze verhalen raken stuk voor stuk, hoe bewonderenswaardig licht ze soms ook zijn opgeschreven, aan de essentie van mensenlevens die een plaats zoeken en niet kunnen vinden. Ze laveren tussen twee uitersten die juist door twee Nederlandse schrijfsters onder woorden worden gebracht. De missie, het hoogst haalbare, wordt door samenstelster Nies Medema in haar voorwoord benoemd: zich een thuis schrijven en daarmee een toekomst. Een schrijver kan dat. Maar als hij faalt komt de angst van Yolanda Entius gevaarlijk dichtbij: ‘Niet meer thuis te zijn in je eigen hoofd, daar de weg kwijtraken. Ik kan me niets ergers voorstellen.’ Bij Nensi Mujčinović is het soms bijna zover. Zijn korte verhalen over zijn geplunderde en platgetrapte geboortedorp in Bosnië knakken haast onder de intense melancholie. Ze halen ternauwernood de laatste zin. Pas in het hoofd van de lezer volgt de implosie. De concentratie die hij nodig heeft om op te schrijven waar hij bijkans onder bezwijkt is uitputtend. Niet voor niets is zijn verhaal het sluitstuk van deze bundel. Het gaat over zijn moeder die in Nederland overlijdt, met open ogen. ‘Vol van een verre blik, die zich nog eenmaal wilde drenken aan de bron van haar kindertijd, zag ze de welbekende, door mist verborgen contouren van haar geboortevlakten.’
Morgen Is het voor deze schrijvers dan onmogelijk, om zich een thuis te schrijven waar ze mogen en kunnen blijven wonen? Misschien niet. Saleh Hasan Faris geeft de richting aan, bijna op de tast, in zijn beschrijving van een korte terugkeer naar Bagdad. “‘Iedereen kent de berichten van de vernietiging van de rijke geschiedenis van Irak,’ zegt mijn oude vriend Hashem. ‘Maar veel erger is de verwoesting van de herinnering daaraan; verdrongen door de dagelijkse noodzaak te overleven.’ (…) Hij kijkt mij aan. ‘Het woord ‘morgen’ bestaat niet meer.’” Thuis zou de plek moeten zijn waar de dagelijkse noodzaak te overleven niet zo zwaar weegt dat hij zowel de herinnering aan een warm verleden vertroebelt als de mogelijkheden van het denken aan de toekomst dwarsboomt. Saleh gaat terug naar Amsterdam, waar hij na lange zwerfjaren de rust heeft gevonden om te schrijven, om het verhaal van Irak te vertellen. ‘Morgen bestaat’, heet zijn verhaal. En om tot die simpele, maar cruciale vaststelling te komen, heeft hij zich een heden moeten bouwen dat niet elke dag wordt overschaduwd door het verlies, het afscheid en de melancholie. Daardoor ontstaat er ruimte voor het bevrijdende inzicht waar de schrijvers in dit boek zin voor zin naar op weg zijn. Thuis is vandaag.
Klik voor meer info over het boek Thuis op ex Ponto.
|